Fiesta dankt zijn naam aan Henry Ford II

Fiesta dankt zijn naam aan Henry Ford II
Vanwege de groeiende vraag naar compacte auto’s in Europa en Amerika begon Ford eind jaren ’60 van de vorige eeuw met de ontwikkeling van een model onder de Escort. Het was Henry Ford II persoonlijk die de naam Fiesta koos als benaming voor het succesnummer.

Na diverse gestrande studies voor een compacte auto op basis van bestaande Fords gaven de hoge heren op het hoofdkwartier van Ford in het Amerikaanse Dearborn in 1969 toestemming voor verdere ontwikkeling van een stadsauto. In Keulen mocht een internationaal team met een budget van 100.000 dollar werken aan het project B-Car. Het moest een auto worden die zowel in Europa, Amerika, Zuid-Afrika en Azië verkocht kon gaan worden. Allereerst hebben de ingenieurs zich op de techniek gestort. In 1971 werd het resultaat onder de naam Torino aan de Ford-directie gepresenteerd, ondanks dat er nog geen aandacht aan het design was geschonken.

B-Car wordt Bobcat
Na goedkeuring onderzocht het team of de B-Car geen concurrent voor de grotere Escort zou worden en onder tussen werkte men in Dearborn verder aan het fijnslijpen van de technische aspecten van de auto. Onder leiding van designer Tom Tjaarda werd bij designbureau Carrozzeria Ghia in Turijn (Italië) aan drie designs gewerkt, waarbij de mogelijkheden voor zowel voor- als achterwielaandrijving werden onderzocht. Tevens liet men concurrerende auto’s als de Fiat 127 en Renault 5 aanrukken om te ontdekken hoe een compacte auto zo efficiënt mogelijk gebouwd kon worden. In 1972 togen de ontwikkelaars wederom naar hun leidinggevenden en ontvingen lof voor hun werk. Hal Sperlich, algemeen leider van project B-Cat, noemde de auto vanaf dat moment Bobcat.

General Motors
Henry Ford II zelf besloot dat het productiemodel van project Bobcat de naam Fiesta moest krijgen. In zijn ogen was dit een mooie verwijzing naar de naam Ford en het land Spanje, waar een nieuwe fabriek uit de grond werd gestampt. Aartsrivaal General Motors had echter de rechten op de naam Fiesta, maar was zo aardig deze gratis vrij te geven. Ook de namen Amigo, Bambi, Bolero, Bravo, Forito en Metro waren mogelijke kanshebbers. Omdat de Spaanse politiek begin jaren ‘70 besloot dat er nauwelijks auto’s geïmporteerd mochten worden, komen besloot Ford een nieuwe fabriek in het Zuid-Europese land te bouwen. Na veel overleg met de regering en de toezegging van werkgelegenheid werd in 1974 in Almussafes bij Valencia begonnen met de bouw van een nieuwe motoren- en autofabriek die ruim een jaar later door Henry Ford II en koning Juan Carlos geopend werd. In maart 1976 startte de werkzaamheden in de motorenfabriek en een half jaar later rolde de eerste Fiesta van de band. Overigens werd de Fiesta ook gebouwd in Duitsland (Keulen en Saarlouis) en Engeland (Dagenham).

Meest verkochte auto in Spanje
Ford begon eind 1975 met het zorgvuldig lekken van informatie richting de pers over zijn nieuwe compacte auto. In juni 1976 stond de Fiesta tijdens de 24 uur van Le Mans te pronken voor het publiek, waarna enkele maanden later de verkoop van start ging. Engelse dealers waren echter ‘not amused’ omdat de rechtsgestuurde Fiesta nog tot na de jaarwisseling op zich liet wachten. De Fiesta werd al snel een succes. In het eerste jaar zijn er in de nieuwe Spaanse fabriek 17.000 exemplaren gebouwd en een deel van de 150.000 motoren werden verscheept naar Engeland en Duitsland voor de daar geproduceerde auto’s. Nummer 100.000 rolde in juni 1977 van de band en ondertussen bood de fabriek werk aan 10.000 Spanjaarden. Het duurde niet lang voordat de Fiesta zowel de meest verkochte als de meest geproduceerde auto in Spanje was. Om het feest compleet te maken mocht Ford zich de grootste auto-importeur van het Iberisch schiereiland noemen. De mijlpaal van 500.000 Fiesta’s en een miljoen motoren werd in 1979 bereikt. Vrijwel in alle Europese landen ging de auto als een warm broodje over de toonbank, waardoor er slechts twee jaar later al 1.000.000 Fiesta’s aan klanten waren afgeleverd. In oktober 1982 werd de zesde verjaardag van de fabriek in Valencia gevierd, waarbij de teller inmiddels op 1,4 miljoen auto’s en 2,1 miljoen motoren stond.

Dagenham
Tussen 1977 en 1980 is de Fiesta ook in Amerika geleverd. Volgens Ford was lokale productie niet rendabel, dus werd deze aangepaste variant gebouwd in het Duitse Keulen. De auto had een 1,6-liter benzinemotor met 66 pk die voldeed aan de Amerikaanse milieuwetgeving. Ook de botsvriendelijke bumpers, zijdelinkse markeringslichten en ronde koplampen weken af van de Europese Fiesta. In tegenstelling tot de Europese klanten liepen de Amerikanen niet echt warm voor de Fiesta, ondanks de aanwezigheid van een airco. In Europa was de 3,57 meter lange en 730 kilo zware Fiesta leverbaar als basisuitvoering, L, S en Ghia. De instapversie met 957 cc viercilindermotor leverde 40 of 45 pk en een stapje hoger in de prijslijst stond de Fiesta met 1.117 cc en 53 pk. Deze twee motoren werden gebouwd in Valencia. De 1.298 en 1.597 cc motoren met respectievelijk 66 en 83 pk werden in Dagenham door Engelse arbeiders in elkaar gezet.

De Fiesta was er ook als bestelwagen zonder achterbank en in 1980 werden de GL- en Super S-uitvoering leverbaar, een jaar later gevolgd door de sportieve XR2. In augustus 1981 kreeg de auto een facelift met nieuwe bumpers, deurgrepen en spiegels. Als actiemodel waren er de Ford Fiesta Bravo en Festival. Ford was ondertussen al bezig met plannen voor de tweede generatie Fiesta en in juli 1983 loste deze na ruim 2,8 miljoen gebouwde exemplaren het oermodel af.

Tekst: Arno Lommers

Bekijk meer foto's van de Ford Fiesta op onze Facebook-pagina.

Lees ook het verhaal over de zo goed als nieuwe Fiesta 1.1 L uit 1979 die te koop staat bij Autobedrijf van der Aa in Schijndel.
Dit artikel is gepubliceerd op 16 maart 2016

Deel dit artikel op social media

Dit bericht delen op LinkedIn